Reis mee en kijk mee

Zuid-Korea, mei 2019

Zijderupsshakes

Azië is ons substituut voor interplanetair reizen. Als er ergens op onze aarde een plek is waar je je af en toe op een andere planeet waant dan moet dat in het Verre Oosten zijn. Het zijn vaak maar kleine dingen. Het is zondagmorgen, we zijn net geland op Seoul Incheon Airport. Ellen meldt zich bij een van de telecomproviders om het SIM-kaartje op te halen dat we online besteld hadden. De mevrouw achter de balie kijkt ongeïnteresseerd op het aankoopbewijs en zegt, zonder Ellen aan te kijken, dat ze bij de verkeerde provider is. Niet verrassend, het was een beetje gokken voor ons. Ze verwijst ons naar de algemene informatiebalie een eindje verderop. Daar krijgen we te horen dat we bij de concurrent moeten zijn – die pal naast de vorige zit aan dezelfde balie, de dames kunnen elkaar letterlijk aanraken. Waarom had die eerste haar dan met een stalen gezicht doorverwezen naar de informatiebalie? Mag ze de naam van de concurrent niet uitspreken? Of heeft ze écht geen flauw idee wie er naast haar zit? In elk geval is het lekker vervreemdend.

We zijn, nu de reizen-met-hele-kleine-kinderen-fase achter de rug is, langzaamaan weer backpackers aan het worden. Teun draagt zijn eigen rugzak. Wel met nog met een knuffelhaai van anderhalve meter tussen de tas en zijn rug gepropt trouwens. Maar het moet gezegd worden: zijn reisvoorbereiding is prima op orde. Hij blijkt al volledig op de hoogte te zijn van de laatste K-pop ontwikkelingen. En hij weet bijna alles over Koreaans streetfood. De laatste maanden heeft hij samen met Ellen minstens vijftig uur lang youtubefilmpjes bekeken over de Koreaanse keuken.

Van het vliegveld nemen we de trein naar Seoul. Lang blijven we nu niet in de hoofdstad: we eten een burgertje op het Centraal Station en stappen daarna over op de TGV naar Busan, helemaal in het zuiden van het Koreaanse schiereiland. Het plan is om van daaruit in twee weken tijd met een huurauto terug te rijden naar Seoul, waar we dan een paar dagen gaan rondkijken.

Busan

De letters G en V in TGV staan voor heel snel, en dat is volkomen terecht: om drie uur ’s middags zijn we in ons hotel in Busan. De jongeman bij de receptie overhandigt ons vriendelijk een paar A4-tjes met een nietje erdoor, “because our culture is different”. Check! We rusten uit – zo’n reis gaat je niet in de koude kleren zitten. Dan gaan we de deur uit voor ons eerste Koreaanse diner. Het is een kleine mijlpaal, eten is toch een van de fundamenten onder onze reislust. Na een paar zoete aardappelsticks als snackje zitten we aan een tafeltje in een warenhuis, we eten gestoomd rundvlees. Het is erg lekker, het enige wat de stemming drukt is dat Ellen zich niet helemaal lekker voelt. Maar dat komt wel weer goed.

Nog zo’n culinair mijlpaaltje: het eerste Koreaanse ontbijt. Mr. Song, onze goed geluimde gastheer, heeft een uitgebreid buffet klaargezet met cornflakes en toast en nepspresso (sic) maar gelukkig ook lekkere kimchi en rijst en alles wat je bij een Koreaan hoopt aan te treffen. Aan de muur hangt een “recept” om zelf een Bibimbap in elkaar te zetten. Dat werkt als volgt: eerst doe je een laagje rijst in je bakje en dan een laagje groente, en dan een laagje dit en een laagje dat – let alsjeblieft goed op de volgorde – en dan nog een laagje zus en een laagje zo en…dan hussel je de hele boel door elkaar! Als je klaar bent met eten kan je wat traditionele kleding aan te trekken voor een staatsieportret; de fotostudio staat klaar.

Bibimbap valt overigens in de categorie makkelijke smaken. Hoe zit dat met de larven van de zijderups? Op de eerste de beste markt lopen we er tegenaan. Het lijken kleine boontjes, bruin en geribbeld, ze liggen te stomen in een enorme bak. Toen ik ze in de reisgids tegenkwam kreeg ik spontaan jeuk. “Silkworm larvae” – ik dacht dat ik bij de medische calamiteiten was aanbeland. Maar het stond toch echt onder het kopje nationale cuisine. Dat gezegd hebbende, als zelfverklaard ecomodernist wil ik de consumptie van insecten niet a priori verwerpen, oftewel: het lijkt me supersmerig maar we zullen wel motte. Dus kijk ik matig geïnteresseerd naar de bak met larven, en overweeg ik om de marktkoopman te vragen of ik er een mag proeven. Voor mijn neus bungelt echter al een half pond gestoomde poppen. In een papieren beker, met een houten prikkertje, zeg maar de Aziatische versie van een portie patat. En voor ik er erg in heb, is er betaald en wordt er zijdeworm gegeten. Door mij. Drie paar ogen kijken me aan. De blik heb ik eerder gezien, ten tijde van mijn eigen fermentatie-experimenten. En…lekker? Is het voor herhaling vatbaar? Ja hoor, tijdens WOIII, als de bloembollen op zijn, dan zal ik het zeker nog eens overwegen. Dit is wat je noemt een verworven smaak. En, mijn oorlogsverwijzing komt niet helemaal uit de lucht vallen: deze eetgewoonte is ontstaan tijdens de Koreaanse oorlog. Zijdeworm was ruimschoots voorradig en zorgde voor eiwitten in het oorlogsdieet. Die eiwitten verklaren dan weer waarom de marktkoopman mij kracht en mannelijkheid in het vooruitzicht stelde. Binnenkort in uw sportschool: superhealthy zijderupsshakes.

Op dezelfde markt vinden we een snack die ons wel zeer kan behagen: de hotteok. Het is iets tussen een oliebol en een donut, met nootjes erin. Niet spannend maar wel lekker, en dat heb je soms nodig als de gedachte aan een insectoïde toekomst je aanvliegt. Bovendien verzamel je na zo’n comfort snack weer moed voor nieuwe experimenten, zoals op de vismarkt in Busan. Het is al een hele ervaring om er rond te lopen, op de grootste vismarkt van Zuid-Korea. Voor onze voeten verplaatst zich een bedelaar met een zeemeerminvin op een trolley. Het is tragisch maar ook een beetje psychedelisch. We zijn in een participerende bui en laten ons verleiden om plaats te nemen aan een tafeltje in een marktkraam. In een bak zwemmen inktvissen. De marktkoopvrouw pakt er een uit, hakt ‘m in stukjes, en legt de hevig kronkelende tentakels op ons bord. En ze laat er geen twijfel over bestaan: dit moet vers gegeten worden. Rigor mortis is te laat. Met haar chopsticks pakt ze een stukje op. Teun is de eerste die hapt, maar hij krijgt de tentakel niet weg. Wel begrijpelijk: zo’n stuk inktvis klampt zich met al zijn zuignappen vast aan jouw gehemelte. En dat komt het doorslikken niet ten goede. Mijn lieftallige echtgenote lukt het even later wel. Tessel en ik wachten lafjes af tot de overgebleven stukken op de tafelgrill gestopt zijn met bewegen. Avontuurlijk eten is niet voor elke dag.

Omdat het miezerweer is bezoeken we in Busan het zeeaquarium. Er is ruimschoots aandacht voor wat algemeen beschouwd wordt als de essentie van een aquarium: glazen bakken waarin vissen rondzwemmen. Er is echter ook een fashion afdeling waar je allerlei kleding kan kopen met een aquatisch ontwerp. En er is een theatershow. Daar wordt het sprookje van Assepoester uitgevoerd. Let wel: geheel onder water. Je zou denken dat die hele Assepoesterthematiek van corvee en schoonmaken letterlijk in het water valt – pun intended – want wat valt er te dweilen in zo’n bak met water? Toch weten ze met hun anaerobe pantomime een geweldige prestatie neer te zetten. Want ga maar na, anders had ik toch nooit geweten dat het Assepoester was en niet bijvoorbeeld Sneeuwwitje of die tuthola van Frozen?

Namhae en Boseong

Woensdagochtend nemen we in alle vroegte afscheid van onze gastheer Mister Song. We halen de huurauto op waarmee we ons de rest van de vakantie gaan verplaatsen. Van Busan rijden we naar Namhae. Onderweg bezoeken we de Boriam tempel, die prachtig gelegen is in de bergen – en in de mist. Het is dat ik niet van slechte woordgrappen houdt, anders zou ik zeggen: je mist daardoor wel iets. Bij helder weer moet het een geweldige plek zijn. Wanneer we de volgende dag verder rijden in westerse richting naar Boseong, nemen we ons voor om de wetlands te bekijken, maar ook dit bezoekje verregent. De wetlands zijn te nat, het klinkt als een slechte grap. Het humeur van de kinderen en van ons – actie is reactie – begint eronder te lijden. Hier helpt maar één ding te tegen: comfort food. We rijden snel door naar Boseong. Mijn pleidooi voor een beer-and-chicken bar legt het net af tegen een ander typisch Koreaans “single-issue restaurant”: pork-barbecue. Koreanen zijn dol op barbecue, in een vorm die overigens meer lijkt op het Nederlandse gourmetten. We zitten met z’n vieren op de grond aan een lage tafel. Midden op tafel staat een grillplaat, en daaromheen een schaal met speklappen en allerlei andere ingrediënten zoals oesterzwammen, knoflooktenen, en gochujang, een licht pittige saus van gefermenteerde soja. En natuurlijk kimchi, dat is er altijd. De speklappen worden gebakken en met een schaar in stukjes geknipt – messen zijn zó Westers – waarna je een stukje vlees samen met de andere ingrediënten in perilla wikkelt, een soort slablad. Onze gastvrouw doet het allemaal heel geduldig voor. En het is zo lekker dat we de volgende dag weer gaan. Slapen doen we in Boseong trouwens óók op de grond, in een Hanok, een traditionele herberg. Dankzij de vloerverwarming, de ondol, is het goed te doen, al zijn we wat stram ’s ochtends bij het opstaan.

Het leven in Boseong lijkt helemaal om thee te draaien. We bezoeken het theemuseum. En we nemen een kijkje bij de Daehon Dawon Tea Plantation. Ik vraag me overigens af wat daar het belangrijkste product is: thee, of films en soaps? Op de plantage worden zeer regelmatig opnames gemaakt voor films en televisieseries. Het ziet er dan ook zeer gestileerd uit. Om de Boseong-ervaring compleet te maken had onze gastvrouw voor ons vrijkaartjes geregeld voor de lokale spa, waar je je lichaam kan ontspannen in…inderdaad: theewater. Een leuk idee, al moeten we ons bezoek kort houden doordat zoonlief geen zin heeft om in adamskostuum met een stel Aziaten in een theepotje te zitten. Ieder z’n hobby…

Jiri-San

Zaterdag rijden we verder naar nationaal park Jiri-San, een stukje het binnenland in. Eindelijk treffen we mooi weer. Vlakbij ons hotel in Hadong is een riviertje waar Teun en Tessel vol overgave in duiken. Onze kinderen hebben een passie voor water. Of voor Koreaans voedsel, want op de belofte van een Koreaanse barbecue zwemmen ze zonder aarzeling nog een keer door het ijskoude water naar de overkant en terug.

In Hadong vallen we met onze neus in de boter: er is een braderie. Ze verkopen er heerlijke snacks, een soort hotteoks in spiraalvorm. Opvallend: bij veel marktkramen hangen MBA-achtige diploma’s en portretfoto’s met van die afstudeerhoedjes, alsof de klant overtuigd moet worden van het hoge opleidingsniveau van de standhouder. Koreanen schijnen een lichte obsessie te hebben voor diploma’s en onderwijskwalificaties!

Ons hotel in Hadong is een verhaal apart. Het is zo’n typisch Aziatisch gebouw: ooit neergezet met een grootse visie, maar de werkelijkheid heeft een andere afslag genomen. We zijn de enige gasten. De manager lijkt op het eerste gezicht vooral een bureaucraat, een uitvoerder van de incheckprocedure. Als we de eerste avond na het eten thuiskomen is het hotel op slot. We proberen van alles maar komen er niet in. Na een kwartiertje komt de beheerder aansloffen, zich uitgebreid verontschuldigend: hij was in slaap gevallen. Het incident lijkt wel wat los te maken; de beste man ontdooit. Hij vertelt over zijn zoon die in Wageningen is afgestudeerd en nu in Roermond woont, samen met zijn vriendin die in Leiden gepromoveerd is. Ze hebben goede banen in Nederland, maar het liefst willen ze terug naar Seoul. De communicatie met onze gastheer verloopt half in een soort Engels, half via een vertaalappje dat hij als een dictafoon inspreekt. Als wij de tweede dag na het avondeten thuiskomen in het hotel, haalt hij een fles rijstwijn en een pak ingevroren speklappen tevoorschijn, en begint voor ons een pork barbecue op te tuigen. Wat een lieverd! Bij ons vertrek krijgt Tessel ook nog als afscheidscadeau een pop mee.

Gyeongju

Maandagochtend rijden we naar Gyeongju, een stad aan de zuidoostkust. Het mooie weer is helaas voorbij: het regent pijpenstelen. Het is ook nog eens druk op de weg met een hoop vrachtverkeer. En eenmaal in de stad kost het enige moeite om ons appartementje te vinden. Bij zo’n accommodatie in een Aziatische stad houd ik er altijd rekening mee dat het een hok is à la Chungking Mansions in Hong Kong, een legbatterij voor toeristen. Ellen wist natuurlijk allang dat die vrees onterecht is. Ons onderkomen is modern en comfortabel, strak en sober ingericht met IKEA-meubeltjes, een beetje alsof het de wachtkamer is van de tandarts. Maar loop de deur uit en je bevindt je in een historisch openluchtmuseum. Gyeongju was de hoofdstad van het Silla koninkrijk dat op het hoogtepunt – tussen de zevende en negende eeuw – een groot deel van het Koreaanse schiereiland besloeg. We bezoeken onder andere de Seokguram Grotto, een grot met een beroemd Boeddhabeeld dat op de UNESCO-werelderfgoedlijst staat. En we maken een lange wandeling door de stad, onder andere langs de vele grafheuvels. Honderden van deze “tumuli” zijn er in Gyeongju en omgeving. Een van de grafheuvels is opengewerkt en als museum ingericht. Een eindje verder staat een observatorium, een “sterrenkijktoren” uit de achtste eeuw. In tijden van zwartegatfoto’s en gravitatiegolfdetectoren ligt de neiging op de loer om niet onder de indruk te zijn van zo’n stenen torentje. Totdat je je realiseert dat ze die stenen 1300 jaar geleden met de hand op elkaar hebben gezet, en dat er stiekem al heel wat kennis van ons zonnestelsel en de seizoenen verwerkt is. Van al dat wandelen word je hongerig, en het treft dus dat er een hele fijne night market is in Gyeongju.

Jeongdongjin beach, Haesingdang en Jumunjin vismarkt

Woensdagochtend vertrekken we voor een lange rit naar Seoroksan, onze laatste verblijfplaats voor we doorrijden naar Seoul. Onderweg doen we twee plaatsen aan die het goed moeten doen op de sociale media. Dat geldt in ieder geval voor Jeongdongjin beach, waar op een klif een enorm hotel gebouwd is in de vorm van een gestrand cruiseschip. Typisch Aziatisch zoiets. Bij de tweede plaats twijfel ik wel of het door de online censuur komt: ik heb het over Haesingdang, beter bekend als het Penispark. De oorsprong van dit park is een oude visserslegende. Lang verhaal kort: na de tragische verdrinkingsdood van een jonge deerne was er een abrupte schaarste aan vis. Zo snel als de vis verdwenen was, kwam deze ook weer terug, nadat een visserman zijn blaas geleegd had in zee. Ha! Cum hoc ergo propter hoc – correlatie betekent nog geen causatie. Desondanks heeft men geconcludeerd dat het opdringen van mannelijke genitalia aan een overleden maagd goed is voor de omzet van de visserijsector. Met als gevolg een langdurige traditie van fallusverering. En dus dit park dat weinig aan de verbeelding overlaat. Vele Koreaanse kunstenaars hebben hun bijdrage geleverd, in evenzovele vormen en hoedanigheden maar meestal wel maatje totempaal. Het serieus bedoelde thema roept uiteraard frivoliteit op, maar dat lijkt geen probleem te zijn. Groepen Aziatische vrouwen van alle leeftijden zijn driftig in de weer met hun selfiesticks. (Allemaal penisnijd natuurlijk, maar dat is een ander onderwerp.) Al met al kan je zeggen dat dit park een vruchtbare mix is van traditie, kunst en vertier.

We hebben het slechte weer trouwens weer achter ons gelaten; de zon schijnt volop. Bij Gangneung – je weet wel, van de Olympische Winterspelen 2018 – maken we een wandeling over de Jumunjin vismarkt. Tessel verlegt haar grenzen door een levende inktvis in haar handen te houden. Technisch gesproken is dat niet heel moeilijk, met die tentakels die zich meteen vastzuigen aan je arm, maar ik merk dat ik het niet erg vind dat ik moet filmen en dus – sorry! – niet kan overpakken. Wel offer ik mij op om zwart inktvisijs te eten.

Seoraksan Nationaal Park

We slapen twee nachten in Sokcho, een kilometer of veertig onder de grens met Noord-Korea. Bij Sokcho ligt Seoraksan Nationaal Park en de gelijknamige berg – ’s lands twee na hoogste. Daar moet op geklommen worden! We wandelen naar Ulsan Bawi Rock, een granieten klif op 873 meter boven zeeniveau. Moeilijk is het niet per se, maar het is desondanks een flinke klim, inclusief aan het eind een stuk of achthonderd traptreden. We komen onderweg een hoop medewandelaars tegen die elk in hun eigen tempo naar boven stiefelen. De beloning is een spectaculair uitzicht. Om de ervaring compleet te maken nemen we beneden nog de kabelbaan die in zuidelijke richting de berg op gaat. Energie voor een wandeling is er dan niet meer, begrijpelijkerwijs. Tessel vat de stemming kernachtig samen als ze haar mening geeft over reizen: “ik vind Nederland wat rustiger want dan hoef ik geen bergen te beklimmen.”

’s Avonds in Sokcho eten we misschien wel de lekkerste Korean barbecue van de vakantie. We zitten comfortabel op stoelen, dat helpt stiekem wel. Naast ons zitten twee heren die voor de gezelligheid voortdurend eten met ons delen – dat zouden we in Nederland niet zo snel doen. Al experimenterend ontdekken we dat kimchi uitstekend smaakt als je het even grilt. Waarmee ik niet wil zeggen dat het “rauw” niet te eten is, maar het is wel iets waar de meeste mensen even aan zullen moeten wennen.

Seoul

Vrijdagochtend rijden we naar Seoul. Meestal slaan wij op reis de (hoofd)steden over maar dit is een uitzondering. We hebben ervoor gekozen een weekend in Seoul te besteden voordat we op het vliegtuig stappen. Alvorens we ons hotel opzoeken rijden we naar “Hanok village”, een openluchtmuseum middenin Seoul dat zich in onze ietwat naïeve verwachtingen had genesteld als zijnde “een traditioneel dorpje bij Seoul”. Het museum zelf geloven we wel maar onze aandacht wordt getrokken door een festivaleske samenscholing van mensen. Er worden voorbereidingen getroffen voor een Taekwondo demonstratie door het leger. Dat willen we zien, met onze twee kinderen die aan vechtsport doen. Wat volgt is een spectaculaire show, een soort kruising tussen militair krachtsvertoon, acrobatiek en een vleugje K-pop. Tegen het einde worden er vrijwilligers het podium op gevraagd. Tessel hapt toe. Ze mag ook plankjes doorhakken, wat met een beetje hulp van de plankvasthouder best lukt. Na deze toegift en het slotapplaus denken wij dat we klaar zijn. We thought wrong… De Taekwondoka’s moeten nog op de groepsfoto samen met de vrijwilligers. Allemaal lachen: “say kimchi!” Vervolgens wordt ook de rest van de familie erbij gevraagd voor een staatsieportret; in onze blik valt ongetwijfeld een mengeling te lezen van hé wat leuk met wat hebben wij eigenlijk gedaan dat we hier op de foto staan met deze helden. Na het maken van nog een foto, en nóg een, en nog een foto van het foto-maken, komt er een duo met een camera en een microfoon en wordt Ellen gevraagd wat ze ervan vindt. Pas na het uitwisselen van de foto’s en uitgebreide dankzeggingen verlaten we Hanok Village. We brengen onze huurauto zonder kleerscheuren terug naar de rechtmatige eigenaar – altijd spannend, je rijdt niet elke dag in een stad van tien miljoen inwoners – en stappen over op de metro. Ons hostel ligt midden in het Red Light District. Dat klinkt erger dan het is; het is allemaal niet zo expliciet en ranzig als in sommige andere landen. En ons hostel is helemaal in orde. We slapen onverwacht goed met z’n vieren in een klein kamertje met twee stapelbedden. De receptie wordt bemand door twee jongedames die ons uiterst gastvrij ontvangen en van informatie voorzien in het beste Engels dat we deze vakantie gehoord hebben.

De stad maakt alle clichés waar. Op straat lopen mensen met maskertjes op vanwege de smog uit China. Er zijn eeuwenoude tempels en moderne architectuur. In die laatste categorie valt onder andere het futuristische Dongdaemon Design Plaza en de 555 meter hoge Lotte Tower – met bijbehorend food court, stijnenellen be stijnenellen. En nu we het over eten hebben: de Gwangjang Night Market kan rekenen op onze warme belangstelling. Het is een geweldige manier van eten. Je schuift even aan bij een kraampje voor een heerlijke Koreaans pannenkoek en een biertje of fruitshake, loopt weer een stukje mee met de meute om ergens anders weer iets nieuws te bestellen. Eat, walk, repeat – tot je vol zit of het geld op is.

Een hoogtepunt van totaal ander kaliber is het War Memorial, een museum over oorlogen in het algemeen en de Koreaanse in het bijzonder. Binnen is een heel informatieve tentoonstelling, buiten staat een grote verzameling tanks, schepen en vliegtuigen opgesteld. Teun heeft een levendige interesse in het onderwerp en vraagt ons regelmatig het hemd van het lijf over veldslagen, dictators en atoombommen. Net als bij de Taekwondoshow komen we niet weg met een passieve bezoekersrol. We mogen allemaal een wens op de muur plakken (wereldvrede, natuurlijk) gevolgd door een loterij waarbij beide kinderen een prachtige set reistasjes winnen. En dit keer ben ik degene die voor de camera een voxpopje mag leveren. Wat ik vind van het Koreaanse leger. Ik begin met een lang en genuanceerd antwoord waarin ik alle wijsheid stop die ik met mijn beperkte kennis ter plekke kan produceren over de fragiele situatie tussen de Korea’s. Als ze me voor de tweede keer vragen om opnieuw te beginnen realiseer ik me dat ik het simpel moet houden. “Very good!”

De echte klapper van ons Seoulbezoek is het Buddha Lantern Festival. Een verrassing is het niet, Ellen wist al maanden geleden dat onze vakantieplanning samenviel met deze festiviteit. Overal in de stad zijn al voorbereidingen aan de gang, waaronder veel knutselwerk. Op zaterdagavond is er op de boulevards vlakbij ons hotel een feestelijke internationale parade met delegaties uit de hele Boeddhistische wereld. Qua sfeer heeft het iets weg van een carnavalsoptocht minus het bier en het gebral. Het is geweldig, urenlang staan we langs de weg te kijken.

Zo komt er een eind aan ons Korea-avontuur. En ik heb nog zoveel niet verteld. Over de mierzoete muziek die je overal hoort, waardoor je de hele dag het knagende gevoel hebt dat je achtervolgd wordt door Céline Dion. Over het getoeter bij de stoplichten twintig milliseconde nadat het licht op groen is gegaan. In Nederland zou je geïrriteerd uitstappen en je beklag doen over zoveel ongeduld; hier weet je dat het een service is van je medeweggebruikers. En over service gesproken: hoe fijn is het om in de horeca bijna altijd bediend te worden met een glimlach, zonder al dat geouwehoer met fooien.

Veel Westerse toeristen zie je hier niet. Slechts twee keer zijn we Nederlanders tegengekomen (waarvan één stel besloten had dat ze geen Nederlanders wilden zien). Onbekend maakt onbemind, ongetwijfeld. En de onberekenbare noorderbuur is misschien een afschrikwekkende factor. Mocht je meer willen weten over Korea dan raad ik je aan om de K-pod te beluisteren, een interessante podcast met Koreadeskundige Remco Breuker. En om The Impossible Country te lezen van Daniel Tudor, een journalist die jarenlang in Zuid-Korea woonde en heel goed en toegankelijk schrijft over dit waanzinnige land.

Korean streetfood