Op reis met Stijn, Ellen, Teun en Tessel

Taiwan, april/mei 2017

Taiwan stijnenellen.com

Route – 21-4 t/m 6-5-2017: Lion’s Head Mountain (Shitoushan), Lukang, Sun Moon Lake, Rueili, Fo Guang Shan klooster, Dulan, Walami/Rui Sui, Taroko National Park, Pingxi, Taipei

Vochtafparelend

 

Aan de straatkant zit een vrouw, ze staart dromerig voor zich uit. Tussen ons in staan vijf glazen bakken. In elke bak zit een felgekleurde pad.
“Pet or food?” vraag ik met een pokerface. Je moet in deze contreien tenslotte overal rekening mee houden. En eerlijk is eerlijk: we hebben ons maandenlang verheugd op het exotische eten in Taiwan, en elkaar plechtig beloofd om alles te proeven wat men hier als delicatesse beschouwt. Ook als er te veel slijmerige draadjes aan zitten of als het ruikt naar chemische oorlogsvoering. Of als we een insektoïde oorsprong vermoeden – ha, made in Taiwan! Hoe dan ook, als puntje nu bij paaltje komt, dan moeten wij mans genoeg zijn en onze tanden zetten in zo’n dikke slijmerige pad.
“Pet,” antwoordt het paddenvrouwtje. Terwijl wij – zwaar opgelucht – verder lopen vraag ik me af of ik haar op een idee heb gebracht. Ik hoop dat ze het in dat geval even checkt op voedingscentrum.nl. Voor je het weet zijn die padden giftig.

Een paar dagen geleden zijn wij van Amsterdam naar Taipei gevlogen. Nog nooit was een lange vlucht zo comfortabel. Het helpt dat het een rechtstreekse verbinding was, en dat we de vertrouwde KLM-service hadden, met goede films. En natuurlijk was het fijn dat onze dochter bijna de gehele vlucht onder zeil was. Normaal is ze zacht gezegd niet de doorslaapkampioen; thuis gaat bij een ononderbroken nachtrust de vlag uit. Inplannen dus: hypotheekgesprek voor aanschaf van een Boeing 747. Slaap is zó belangrijk.

Maar dan maakt de overzichtelijke KLM-bubbel plaats voor de chaos van de straat. We hebben een huurauto, een Toyota Yaris. Een automaatje – al is hij niet automaat genoeg om te beletten dat we de eerste twee dagen in een verkeerde versnelling rijden. Vandaar dat hij zo slurpte en gromde. Maar dat verkeer! Het eerste wat opvalt is dat alle auto’s geblindeerd zijn. Weg oogcontact. En weg corrigerende middelvinger. Of het moet zijn dat je er zelf een krijgt, van een scooterrijder die je per ongeluk afsnijdt. Want het tweede wat opvalt zijn de scooters. Ze zijn met heel veel, en soms zit er een heel gezin op, inclusief kleine kinderen en huisdieren. Verder: verkeersregels zijn facultatief, zebrapaden decoratief. En stoplichten zijn hooguit een vrijblijvend advies om vaart te verminderen. De enige echte regel in het verkeer is dat je alleen verantwoordelijk bent voor wat er vóór je gebeurt. Dat bespaart wel veel aandacht; de helft van het verkeer mag je negeren.

Terwijl de kinderen en ondergetekende op zondagochtend onze jetlag wegslapen verkent Ellen de straten van Zhongli. Ze stuit om zes uur ’s ochtends op een groep oude mensen die tai chi en andere gymnastische toeren uithalen in de openlucht. Een seniorenbootcamp zouden wij het noemen; Aziaten zijn er goed in. Ik vind het een mooi fenomeen. Niet dat ik bezwaar heb tegen de fitgirls (m/v) die bij ons steeds meer het straatbeeld bepalen. Maar een beetje meer diversiteit qua leeftijd mag best. Bij ons wordt het vaak sneu gevonden als oudere mensen op straat staan te apenkooien. Of is dat alleen als ze zich hullen in strakke leggings en roze shirtjes? En wat nou als ze zich echt fit zijn, mag die kleding dan weer wel? Lastige morele vragen op de vroege ochtend.

Lukang

Als je door je oogharen naar de kaart kijkt dan heeft Taiwan de vorm van Texel en de afmetingen van Nederland. Door het midden loopt een bergrug, van noord naar zuid. Dat maakt dat je al snel een rondje moet rijden als je beide kanten van het eiland wil aandoen. En dat is dus precies ons plan: in twee weken langs het westen omlaag en terug omhoog via de oostkust.

Nadat we in Zhongli het ergste deel van onze jetlag hebben afgeschud rijden we naar Lukang. Onderweg brengen we een kort maar krachtig bezoek aan Lion’s Head Mountain, een berg waar een tempelcomplex tegenaan gebouwd is met veel indrukwekkend houtsnijwerk.

Zoals op alle recente vakanties hebben we het merendeel van de overnachtingen via airbnb geboekt. Zo kom je nog eens bij de mensen thuis. In Lukang zijn we te gast bij Wendy. Op de begane grond van haar huis runt ze een lunchtentje. Een paar trappen omhoog slapen wij met z’n vieren op een grote kamer. En daar ergens tussenin woont ze zelf met haar man en een stuk of wat jonge kinderen. Als je dan wordt uitgenodigd om een avondje mee te eten dan beland je vanzelf in het ietwat ongemakkelijke maar vooral ook leuke schemergebied tussen dineren in een restaurant en een etentje bij vrienden. Er heerst een sympathieke chaos; de kinderen kruipen als mieren over elkaar heen. Dit is het geruststellende proof-by-example dat Aziaten het ook niet allemaal onder controle hebben, al onze vooroordelen ten spijt over Tiger-moms en over de discipline en gehoorzaamheid die ze hier met de paplepel ingegoten krijgen.

Lukang is ook de plek waar we ons laven aan het eerste street food. Taiwan blinkt daar in uit: de befaamde night markets, maar ook de gewone restaurantjes aan de straat. Qua uitstraling is het vaak niet meer dan een TL-verlichte garagebox, maar je kan er voor een paar euro geweldig eten. ’s Morgens vroeg zitten we op plastic krukjes van ons ontbijt te genieten: soep met glutinous balls. Ik schrijf het maar op zoals het er staat. De kans is aanwezig dat je nu kokhalst maar de smaak is top. ’s Avonds eten we oesteromeletjes – ik zeg: superfood –  met een grote fles Taiwanees bier erbij. Gedeeld uiteraard, want in je eentje halve liters bier wegtikken vind ik een overschatte bezigheid. En 0.6L flessen beschouw ik al helemaal als een gezinsverpakking. Als toetje bestellen we bubbelthee bij een gespecialiseerde bubbeltheetent (zodat het daar in ieder geval niet aan ligt). Visueel doet bubbelthee aan milkshake denken en dat is lekker. Vol goede moed beantwoorden we vijfentachtig meerkeuzevragen. “Koud of warm?” is de enige vraag die we begrijpen. We moeten ergens in dit vragenvuur een verkeerde afslag hebben genomen. Het uiteindelijke resultaat is niet te zuipen. En dat niet alleen: onderin het drankje zitten gelballetjes die tijdens het drinken in je rietje schieten. Talloze angstdromen heb ik de afgelopen maanden gehad, over aardbevingen, orkanen en knokkelkoorts; nu realiseer ik me dat de kans veruit het grootst is dat je in Taiwan overlijdt doordat er zo’n kleffe gelbal in je keelgat schiet. Dood-door-bubbelthee, het klinkt pathetisch. Maar het geeft ook een gevoel van controle. We kieperen de beker in de vuilnisbak. Lang leve ons!

 

Sun Moon Lake

Van Lukang is het een uurtje rijden naar het Formosan Aboriginal Culture Village. Het is de ideale tussenstop voordat we ons huisje bij Sun Moon Lake opzoeken. Anders dan de naam doet vermoeden is dit een combi tussen een openluchtmuseum en een pretpark. Dus én dansende aboriginals én een achtbaan. Oftewel voor elk wat wils. En dus ook: voor elk wat niet-wils. Zo probeert Tessel mij een arm uit de kom te trekken telkens als we binnen de actieradius van een acteur dreigen te komen. En ikzelf heb – zittend naast Teun in de achtbaan – mogen ervaren dat mijn evenwichtsorgaan aan flexibiliteit heeft ingeboet. (Dûh, daarom heet het een achtbaan en geen vijfenveertigbaan.) Na deze ontluisterende ervaringen hebben we onze zinnen gezet op de wildwaterbaan. Dat is leuk voor iedereen. Met zijn vieren zitten we op de voorste rij van het bootje. Achter ons zitten allemaal Taiwanese pubers, drie rijen diep. Stuk voor stuk zijn ze van kruin tot teen verpakt in plastic, op een klein gaatje na want anders wordt het zo’n anaerobe toestand. Aziaten zijn niet zo van de uitbundige lichaamstaal maar ik weet zeker dat ze zich inwendig zitten te verkneukelen dat wij hier als waterschild gaan fungeren. Maar, ha! Ze hebben buiten mijn shirt gerekend. Het technical shirt dat ik vlak voor de vakantie uit de schappen bij Albert Heijn heb gevist. Als er uit de indrukwekkende lijst van specs één ding is blijven hangen – behalve dat het textiel met koffie behandeld is – dan is het dat mijn shirt vochtafparelend is. Kortom, “mij pakken ze niet” is de dominante denkrichting wanneer wij gelanceerd worden richting de waterspiegel. Een klein moment later ken ik de betekenis van vochtafparelend: één (1) druppel water die op je shirt valt rolt er gewoon weer vanaf. Als je echter de halve Zuid-Chinese Zee over je krijgt uitgestort dan wordt je alsnog zeiknat.

We verlaten het pretmuseum en gaan op zoek naar ons nabijgelegen huisje. Ietwat gedesoriënteerd rijden we bergweggetjes op en neer totdat Tessel een IMS-alarm afgeeft. IMS: Ik Moet Spugen. Elke ouder weet dat er dan nog vijf seconden zijn om een plastic zakje tevoorschijn te toveren, wat ons wonderbaarlijk lukt. Even later gaat ook Teun voor de bijl. En dan blijkt dat het vinden van een tasje één ding is, erín spugen en niet ernaast is nog heel iets anders. Enfin. We beseffen dat er kinderen zijn die al spugen zodra je de handrem er vanaf haalt; wat dat betreft komen wij er genadig vanaf.

Een behulpzame buurvrouw regelt dat gastheer Erik ons op zijn scooter naar het huisje navigeert. En dat huisje krijgt van ons de maximale score. Het ziet er piekfijn uit, heeft goede bedden en een fijn bad, het is lekker ruim, en elke ochtend staat er een picknickmandje met ontbijt op de veranda. ’s Nachts maken de kikkers in de vijver een kabaal van jewelste waardoor we ons nog beter bewust zijn van de goede bedden. Als je slaapt krijg je daar toch minder van mee.

Overdag toeren we rond Sun Moon Lake. Het is regenachtig maar we maken er het beste van. We bezoeken Shuishe village en de Wen-Wu tempel gelegen aan het meer. En we maken een korte wandeling naar de Tsen Pagode. Chiang Kai Shek heeft deze laten bouwen voor zijn moeder – een prachtige kapstok om onze kinderen te onderwijzen over dictatoriale trekjes en moederliefde. In Ida Thao, ook wel bekend als Sun Moon Lake Village verwonderen we ons erover dat uit bijna elk winkeltje de beroemde canon van Pachelbel pingelt. Nadere inspectie leert waar het geluid vandaan komt: houten miniatuur-kermisattracties die hier overal te koop staan.

Meishan

Van Sun Moon Lake is het een flink stuk rijden naar Meishan. De route gaat door de bergen en het uitzicht onderweg moet fantastisch zijn – bij helder weer dan. Wij zien alleen maar wolken en motregen. Ons hotel in Meishan, de Ren Tea Gardens, maakt een uitgestorven indruk. De deur naar de lobby staat halfopen, maar er is niemand te bekennen. Ook niet als we vriendelijk doch luidruchtig melden dat er goed volk aan de deur staat. Ik bel het mobiele nummer van de receptie en krijg iemand aan de lijn die geen woord Engels spreekt. Hij weet me duidelijk te maken, vraag me niet hoe, dat hij iemand gaat zoeken die wel Engels spreekt. Die iemand belt mij een paar minuten later. Hij spreekt inderdaad een stuk beter geen Engels. Hij legt me uit dat er zo iemand aan komt om ons op te vangen. En zo geschiedde. Waarom ik dit allemaal vertel? Ten eerste natuurlijk vanwege de wijze levenslessen die je uit dit voorval kan trekken – dat je barrières kan overwinnen zolang je maar écht wil, en zo. Ten tweede omdat je na zo’n lauwe ontvangst niet verwacht dat je diezelfde avond het oeuvre van Dolly Parton staat te jodelen op aandringen van het hotelmanagement. Toch is dat precies wat er gebeurt. Na een kort wandelingetje langs de theevelden en een vergeefse zoektocht naar vuurvliegjes zijn we in de lobby beland. Daar wordt het diner geserveerd. Terwijl de gastvrouw een stuk of zes lokale specialiteiten op tafel zet, haalt haar man numero zeven tevoorschijn: een fles rijstwijn. En die hakt erin. Het lijkt meer whisky dan wijn.
Een stel aan de tafel naast ons krijgt dezelfde behandeling. We raken aan de praat. Ze komen uit Taipei; zij is lerares, hij ingenieur. Hij had iets van doen met de duikboten die
Nederland wilde leveren aan Taiwan, tot woede van China. Wat precies, dat gaat verloren doordat de karaoke-installatie warmdraait op de achtergrond. En zo staan wij een paar tellen later met een microfoon in de hand. Islands in the stream, that is what we are. De gastvrouw kijkt alsof we kunnen zingen – ook een talent. Haar echtgenoot, een man op leeftijd, gooit olie op het vuur als een ontketende gangmaker. Hij kan oorverdovend op zijn vingers fluiten, tot groot vermaak van de kinderen. And you just walk in the night slowly losing sight of the real thing. Hé ja. De kinderen. Moeten die niet naar bed ofzo? De gastheer is intussen druk in de weer met thee, hij speelt een ingewikkeld spel met potjes, pannetjes en een gasbrander. Hij nodigt ons uit om te proeven. Zo voorkomt hij, met de omschakeling van rijstwijn naar thee, dat de zaak vanavond compleet uit de hand escaleert.

Dulan en Ruisui

De volgende dag staat er een lange rit op het programma. Via de zuidpunt gaan we naar de oostkust van Taiwan. Onderweg bezoeken we het Fo Guang Shan Boeddha Museum. Het is het grootste boeddhistische klooster van Taiwan, tevens hoofdkwartier van de Fo Guang Shan beweging. Qua uitstraling doet het denken aan de Amerikaanse megakerken: sterk gericht op popularisering en modernisering van het geloof, en niet vies van een beetje commercie. Er is een vegetarisch restaurant waar we verrukkelijke truffel-dumplings eten.

大姆灣 is onze gastvrouw in Dulan. Ze is net getrouwd, maar haar man woont nog elders. Samen met haar ouders bewoont ze wel alvast een kakelverse strandvilla. Haar hoogbejaarde vader zit voor de TV in de woonkamer; hij was ooit scheepsbouwer maar zijn geestelijke vermogens laten hem steeds meer in de steek. Moeder en dochter hebben ons uitgenodigd voor een borrel aan de keukentafel. De dames zijn zeer complimenteus: ze denken dat yours truly tweeëndertig is en Ellen een fotomodel. Allebei even bizar natuurlijk! (Hoewel? Ik was het ooit. Ellen niet.) Maar is dit soms een truc om ons thuis te laten voelen? Dulan is een surfspot, het territorium van hippe dudes en babes. Als vermeende jonge god en fotomodel kunnen wij dit gerust onze natuurlijke habitat noemen. Overigens hadden wij 大姆灣 en haar moeder ook tien à vijftien jaar te jong ingeschaald. Dus misschien is het gewoon de frisse zeelucht. Er wordt een dure fles wijn opengetrokken en er komen hapjes op tafel, waaronder zelf geoogst zeewier en een pot met ingemaakte mini-pepertjes (note to self: thuis uitproberen).

Al met al is dit een plek om te relaxen en om tortilla en andere tapas te eten bij Cape Café Paradise, een eetschuurtje aan zee. En om te body-surfen op de hoge golven en daarbij je zonnebril te verliezen, en om vervolgens eindeloos over het strand te slenteren in de naïeve hoop dat de branding je bril wel weer terugbrengt. In downtown Dulan eten we originele Italiaanse pizza gemaakt door een Zwitserse chef en we eten er okonomaki – Japanse pannekoek – in de oude suikerfabriek. En we drinken, geheel in lijn met onze nieuwe hipsterstatus, café lattes en ijskoffies bij de Moonlight Inn annex galerie boven op de heuvel.

Na het afscheid op zondag rijden we noordwaarts, richting Ruisui. Onderweg maken we een mooie wandeling over de Walami trail. Na een pitstop midden tussen de rijstvelden lopen we het bos in. Via een grote hangbrug steken we een rivier over. Voor ons loopt een vrouw huilend van hoogtevrees. Zo ver gaat het bij ons niet maar ik kan me een beetje in haar inleven. Al met al is deze wandeling het ideale voorspel voor een overnachting in het hot springs hotel in Ruisui. Een luxe kuuroord is het niet, integendeel, het ziet er allemaal een beetje afgebladderd uit, maar de essentie is er: heet water uit een bron. Onder een golfplaten dak zijn diverse badjes met uiteenlopende temperaturen aangelegd. Sloom sudderen we hier de tijd weg. Complete ontspanning gloort aan de horizon. Het enige wat ons daar nog vanaf houdt is dat er ongenode gasten rondkruipen en -vliegen. Mijn entomologische kennis schiet tekort om ze te benoemen, maar een feit is dat Tessel niet meer durft te lopen. Ik moet haar van badje naar badje tillen. Totdat ze ook het badwater zelf niet meer vertrouwt. Dit is teveel gevraagd voor een meisje dat in het kleinste fruitvliegje al een enge spin ziet. Tijd om naar bed te gaan.

Tarokokloof en Ping Xi

Onze laatste bestemming voor Taipei is Taroko. Onderweg ernaartoe zwemmen we bij een watervalletje. En we lunchen in Hualien, in een restaurant dat gespecialiseerd is in dumplings. De bamboe stoombakjes staan hoog opgestapeld en de klanten staan in groten getale in de rij. En terecht. Het restaurant is befaamd, lezen we achteraf in onze reisgids.

Op naar de Taroko Sialin Coffee Farm Homestay. We worden ontvangen door Boya en Lisa, een echtpaar van middelbare leeftijd. Qua gastvrijheid zijn ze moeilijk te evenaren. Boya pendelt regelmatig van en naar het treinstation om gasten op te halen en weg te brengen. Lisa zet ’s morgens een ontbijt op tafel waar de gemiddelde instagramfoodie een minderwaardigheidscomplex van krijgt. Natuurlijk schenkt ze er een kop koffie bij van bonen die ze zelf groeien, drogen en roosteren – hoe lokaal wil je het hebben? ’s Avonds geeft Boya een rondleiding door Taroko, zijn geboortedorp. Taroko of Truku is tevens de naam van de aboriginal-volk waar Boya van afstamt. Je kan horen dat hij geschiedenisleraar is geweest. Uitgebreid vertelt hij ons over zijn jeugd, over de armoe en de onderdrukking door de Japanners en Han-Chinezen. Zijn vrouw is Han-Chinees en hun huwelijk was dan ook verre van vanzelfsprekend. Door volharding – en door een liedje dat hij schreef speciaal voor zijn geliefde – zijn haar ouders uiteindelijk overstag gegaan en kon hij alsnog met haar trouwen. Het blijft niet bij een verhaal. Eenmaal thuis gaat Boya achter de piano zitten en begeleidt zijn vrouw terwijl zij voor ons het bewuste liedje zingt, gevolgd door twee toegiften.

Niet ver van onze homestay ligt de Tarokokloof in het gelijknamige Nationaal Park. Het is een spectaculair gebied en we zijn duidelijk niet de enigen die dat vinden; we staan af en toe in de file. Met de auto doen we de Swallow Grotto en de Tunnel of Nine Turns aan. Na een lunch in Bulowan – dumplings, we kunnen er geen genoeg van krijgen – wagen we ons aan een 4km rondwandeling naar de Baiyang waterval. De route begint met een donkere tunnel. Gelukkig hebben we een zaklamp bij ons, zo een met een ingebouwde GPS en simkaart en allerlei spelletjes erop. Een bord aan het einde van de tunnel waarschuwt ons voor wespen, giftige slangen en vallende rotsen gedurende de rest van de wandeling. In werkelijkheid is het allemaal niet zo spannend – al ga je daar waarschijnlijk anders over denken wanneer je gezondheid daadwerkelijk door een slang of een vallende rots bedreigd wordt. Niets zo abstract als een risico en niets zo concreet als een blok graniet op je hoofd. Enfin. De beloning aan het eind van de trail is in ieder geval verre van abstract: heel veel vallend water.

De volgende dag rijden we naar Ping Xi. Rechts van ons ligt achter steile kliffen de oceaan. Na verloop van tijd wordt de omgeving meer stedelijk; je kan merken dat we Taipei naderen. In Ping Li, een paar kilometer voor Ping Xi, zien we talloze lampionnen in de lucht zweven. Het is een oud gebruik, oorspronkelijk met als doel om dorpelingen te waarschuwen voor de komst van vijanden. Eens per jaar is er een groot festival waarin deze traditie centraal staat. In recente jaren zijn deze lampionnen uitgegroeid tot een dagelijkse fenomeen, waarvan akte. Het is een gekkenhuis. Op en langs het spoor staan een paar honderd mensen. Voor een klein bedrag koop je een lampion bij een stalletje. Je hebt de keuze uit verschillende kleuren, geheel afhankelijk van het soort wensen dat je er op wil hebben. Want dat is stap twee: met een penseel je vurigste verlangens erop schilderen. Ga je voor de liefde, een glanzende carrière, gezondheid, populariteit, pure vreugde of een combinatiepakketje? Het kan allemaal; het is net een wok-restaurant. Stap drie is natuurlijk de lancering. Naast vervulling van je grote wensen hoop je op zijn minst dat je lampion lekker hoog komt en dat hij niet en passant een huis in de hens steekt. Ondertussen hoop je ook dat er geen trein over je heen rijdt. We staan immers met z’n allen tussen de rails. “Take care train is coming,” staat op een bordje. En er komt inderdaad een trein aan. Hij rijdt stapvoets want het station is vlakbij. Iedereen gaat netjes opzij om vervolgens weer tussen de rails plaats te nemen. Een tourist trap? Zeker wel. En een beetje een foute ook. Nog los van het brandrisico belanden al die lampionnen ergens in de wijde omgeving. Daar doen wij nu aan mee. Doordat er vrijwel alleen lokale toeristen op af komen voelt het minder erg; kennelijk hoort het dan bij de cultuur. Heel verantwoord om je daarin onder te dompelen – toch? Als ik lampionnen vervang door stierengevechten dan voel ik wel dat die vlieger niet opgaat.

Ping Xi is weinig verheffend. Ondanks de toeristische buzz kost het veel moeite om iets te eten te vinden, laat staan iets wat lekker is. Dat is nieuw in Taiwan. De avond wordt gered door een insider-tip: langs de weg aan de rand van het stadje zijn vuurvliegjes te zien. Eerder in Meishan hadden we ze gemist; hier wordt dat meer dan gecompenseerd. Als je er eenmaal een gespot hebt dan zie je er al snel een heleboel. Hoe mooi is dat. Als snel begin je visioenen te krijgen van Het-beste-idee-van-Nederland. Daar sta jij, met je biologische lampen – jampotten vol vuurvliegjes. En je neemt je voor om vóór de uitzending nog even te checken wat vuurvliegjes eigenlijk eten. (Naaktslakken, red.)

Taipei

Na een nacht in een muggenrijk appartement begint het gevecht tegen de tweede hoofdwet van de thermodynamica, in de gewone mensenwereld beter bekend als het weer inpakken van de koffers. De huurauto moet vandaag terug, zonder de legoblokjes, stinkende sokken, afparelende T-shirts en andere objecten die in de afgelopen twee weken hun eigen plekje in de auto hebben ingenomen. Als we klaar zijn rijden naar de hoofdstad, via Taipei Zoo. De dierentuin ligt tegen een heuvel. Met een kabelbaan gaan we naar de top. Daar bezoeken we een foodmarket en de Zhinn Tempel voordat we via de dierentuin langzaam weer afdalen. We zoeken vergeefs naar leeuwen, raken verstrikt in de pandagekte – ook hier dus – en leveren vervolgens in het centrum van Taipei onze auto in. Na een korte zoektocht vinden we ons onderkomen voor de laatste twee nachten, een klein maar super appartementje midden in de stad.

Als er een ding is wat je niet wil missen in Taipei dan zijn het de night markets. Zie het maar als een lopend buffet van een paar kilometer. Een paar minuutjes van onze flat is de Raohe night market, en een taxirit verder ligt de Ningxia night market. Het is druk, kermisdruk, maar dat is eigenlijk nooit zo’n probleem bij die Aziaten. Bovendien draait het om het eten, en dat is zo goed! Wat te denken van geroosterde pleurotis eryngii – oesterzwam – of van biefstukreepjes gegaard met een gasbrander? Favoriet zijn flinterdunne slijmerige deegzakjes gevuld met garnalen, en smoothies van tropische vruchten. Natuurlijk proeven we ook stinky tofu. Ik denk dat ik namens iedereen spreek als ik zeg dat het supergoor klinkt. En ik zou een snob zijn als ik nu zou beweren dat het desondanks een delicatesse is. Maar hé. Blauwe kaas heeft er vijfentwintig jaar over gedaan om mij te veroveren. Gun haar sojazusje ook even de tijd.

      

Natuurlijk gaan we ook naar de Taipei101 – ’s werelds hoogste toren tussen 2004 en 2007. De lift omhoog wordt omineus aangeprezen als “life-changing” maar dat valt gelukkig reuze mee. Naast het indrukwekkende uitzicht en een moeilijk te vermijden jadecollectie wordt mijn oog vooral getrokken door de schokdemper: een bolvormige massa van 660 ton die bovenin het gebouw hangt. Deze slinger houdt de toren in toom bij storm en aardbevingen. Een opname van de beveiligingscamera laat zien hoe het ding heen en weer danste ten opzichte van de toren tijdens een recente aardbeving – net op het moment dat een groep toeristen uitleg kreeg over de werking. Als er iets life-changing is dan is het deze “tuned mass damper”; zonder dit apparaat hadden die toeristen het niet naverteld.

Onze kinderen hebben hun persoonlijke verzoeknummers in Taipei. Maandenlang hebben ze zich erop verheugd. Gehuld in identieke gele Pikachu T-shirts zitten ze nu op de achterbank van de taxi. We zijn onderweg naar het Modern Toilet Restaurant, de keuze van Teun. Zoals de naam suggereert is dit restaurant tot in de kleinste details doordrenkt met het thema “moderne toiletten” – dat zijn zittoiletten zoals wij ze kennen. We zitten dus niet op stoelen maar op toiletpotten. En het eten wordt geserveerd in miniatuur wc’s. Zelfs je drankje kan in stijl geserveerd worden. Ik citeer: “All beverages could add 50 NTD to upgrade container to an urinal for to go”. Tessels keuze is het Hello Kitty Café, een pastelkleurig kinderparadijs met serveerstertjes die net uit een poppenhuis gelopen zijn en een mierzoete menukaart die je glazuur doet barsten nog voordat je iets besteld hebt. Precies zoals verwacht. Het enige verrassende is de clientèle: er zitten diverse kinderloze stellen te eten. Nou ja, kinderloos – dat weet ik natuurlijk niet. Misschien hebben ze oppas geregeld en zijn ze gezellig zonder de kids op pad. Doen wij ook wel eens.

Een paar straten naast het Hello Kitty Café staat de Chiang Kai-shek Memorial Hall (zo ontdekken we als we daar de volgende dag uit de taxi stappen; kennelijk werkt onze innerlijke tomtom nog niet helemaal in Taipei). Hoewel Kitty en Kai-shek een behoorlijk verschillende achtergrond hebben steken ze elkaar naar de kroon qua persoonlijkheidscultus. In de Main Chamber van de Memorial Hall kijkt een levensgroot standbeeld van de voormalige leider van Taiwan ons aan. Min of meer bij toeval zijn we daar getuige van de wisseling van de wacht. Wat ik verneukeratief vind aan dit soort ceremonies is dat je na een half uur staren naar heen en weer marcherende uniformen nog steeds niet weet of de wacht daadwerkelijk gewisseld is. Het zou zomaar kunnen dat die oorspronkelijke wachten hun plek weer hebben ingenomen. Je zou er een video-scheidsrechter op moeten zetten.

Aan het eind van de dag stappen we in het vliegtuig voor een rechtstreekse nachtvlucht naar Schiphol.

We zijn thuis. Uit de oud-papierbak vis ik de verpakking van mijn technical shirt. Wat blijkt? Dat vochtafparelende heb ik helemaal uit mijn duim gezogen. Dat er een paar druppels vanaf gepareld waren moet een placebo-effect geweest zijn. Wat wel op de verpakking staat: anti-allergisch, anti-bacterieel, ademend, UV-beschermend, four-way stretch (?) en op de klap toe comfortabel, zacht, dun & licht – “het voelt alsof je niets aan hebt”. Het begint er sterk op te lijken dat Appie mij de nieuwe kleren van de keizer heeft verkocht.

Stijn